180px-Johann_Sebastian_Bach.jpg

Zondag  8 maart   19.30 uur:

BWV 1  "Wie schön leuchtet der Morgenstern"

Het wordt weer vastentijd, en in die periode mocht Bach in de kerken in Leipzig geen concertante muziek laten klinken. De enige uitzondering is zijn cantate voor de feestdag "Maria Boodschap" van 25 maart, wanneer precies negen maanden voor Kerstmis gevierd wordt dat de aartsengel Gabriël aan Maria de geboorte van Jezus aankondigt. Deze cantate BWV 1 zullen we daarom dit keer uitvoeren. (De nummering van de cantates houdt geen verband met de volgorde waarin Bach ze componeerde.)

De morgenster staat symbool voor Christus, op verschillende momenten in het kerkelijk jaar. De vreugde over zijn komst staat in deze cantate centraal. En daarom heeft Bach meteen voor een zeer rijke instrumentatie gekozen: de gebruikelijke bezetting is hier uitgebreid met twee solo-violen, twee oboi da caccia, en twee hoorns.  

In het grote openingsdeel komen al die instrumenten ruimschoots aan bod, en daarbinnen horen we dan ook de negen regels van het koraal in lange lijnen van de sopranen, omzongen door de andere koorstemmen. Na een recitatief van de tenor volgt een blijmoedige aria van de sopraan, samen met oboe da caccia, waarin zij haar verlangen naar de hemel verwoordt. Ook de bas brengt in zijn daarop volgende recitatief niet anders dan vreugde tot uitdrukking. En dan komt de tenor, met een grote aria vol dankbaarheid, waarin hij door alle strijkers inclusief de beide solo-violen wordt begeleid. Samen zingen we het slotkoraal: "Hoe kan ik toch zo gelukkig zijn", vierstemmig en nog verrijkt met een vijfde stem van de hoorn. (Zie pagina slotkoraal.)