180px-Johann_Sebastian_Bach.jpg

Zondag  10 november 2019
Cantate BWV 93  "Wer nur den lieben Gott läßt walten"

 

Dit lied was Bach bijzonder dierbaar, en het was in Leipzig ook breed bekend. Met zeven verzen, die Bach in de zeven delen van zijn cantate op allerlei heel verschillende manieren laat doorklinken. 

In het openingsdeel horen we het eerste vers in de vorm van een vierstemmig koraal, maar telkens ingeleid en ook weer afgerond met uiterst beweeglijke melodieën van de koorzangers. En al die koordelen worden op hun beurt ingebed in dansante omspelingen van de elkaar afwisselende violen en hobo’s. Plechtig zingt vervolgens de bas het tweede vers, na elke regel daarbij zichzelf onderbrekend met eigen vrije toevoegingen. En dan volgt een blijmoedige aria van de tenor, in de vorm van een sierlijke dans. Met aan het eind een coloratuur van liefst 11 maten lang als hij bezingt dat God uiteindelijk al het verdriet zal wegnemen en zijn kinderen te hulp zal komen.

Het middelpunt van de cantate wordt daarna gevormd door een liefdevol duet van sopraan en alt; waarin we plotseling dan toch ook weer de koraalmelodie horen, maar nu door alle strijkers unisono gespeeld. De tenor zingt het volgende vers van het lied, waarbij hij (net als eerder de bas) voortdurend zichzelf onderbreekt om in vrij recitatief de tekst van soms uiterst beeldend commentaar te voorzien. Interessant is dat daarbij de opeenvolgende regels van zijn koraal allemaal in een andere toonsoort terecht komen! Daarna is er ruimte voor een vrolijke aria van de sopraan, met speelse begeleiding van hobo en fagot: Ik zal mijn God altijd vertrouwen. Waarna we samen de cantate kunnen afsluiten met het dankbare zevende vers van het koraal.

Het slotkoraal wordt van tevoren kort (vierstemmig) ingestudeerd, zodat iedereen dat mee kan zingen. Wil je alvast oefenen? Zie volgende pagina, met tekst en de afzonderlijke stemmen.