180px-Johann_Sebastian_Bach.jpg

zondag  11 september  19.30 uur :

BWV 78  "Jesu, der du meine Seele"

Deze cantate stamt uit Bachs tweede jaar-cyclus in Leipzig (1724), het jaar van de koraal-cantates, gebaseerd op de gezangbundel die daar toen werd gebruikt. Het eerste en het laatste vers van het lied vormen de letterlijke tekst van het openingskoor en het slotkoraal, terwijl de overige verzen in de aria's en recitatieven zijn verwerkt. Centraal staat het lijden van Christus, dat tegelijkertijd een bron van diep verdriet als ook een bron van troost en vreugde kan zijn.
Dat wordt al meteen op een ongelooflijk ingenieuze manier verbeeld in het openingskoor. De sopranen zingen de melodie van het eerste vers: Jezus, Gij die door uw bittere dood mij hebt gered, wil toch ook nu mijn toevlucht zijn. Maar daaronder en daartussendoor laat Bach de meest wonderlijke dingen gebeuren. Met een streng motief van dalende noten, dat maar liefst 27 keer terugkomt, voornamelijk in de baslijn (koorbassen en/of continuo).
Volkomen daarmee in contrast staat het eropvolgende duet voor sopraan en alt. Bijna huppelend, soms achter elkaar aan, soms samen op, zoekend naar hun meester.
De tenor zingt dan weer een uiterst gekweld recitatief over zonde en sterfelijkheid, maar uitlopend op een meer vloeiend (arioso) koraal-citaat waarin de vergeving de overhand krijgt. Meteen gevolgd door een opgewekte aria samen met fluit-solo. Er wordt een streep gehaald door onze schuld, en die streep hoor je letterlijk in een lange notenlijn van laag naar hoog in de fluit. En de tenor zingt: Jezus staat aan mijn zijde, met een extra lang aangehouden noot op “stehet”.
Daarna komt de bas, met ook weer eerst een heftig recitatief en meteen daarna een blijmoedige aria. Het recitatief, met dramatische sprongen in de melodie verwijzend naar de wonden van de spijkers en de doornenkroon, eindigt in een bezonken arioso met opnieuw een letterlijk citaat uit het oorspronkelijke koraal: ik geef, van leed vervuld, mijn hele hart aan U. En dan een opgetogen aria die aan het begin bijna op een klein hobo-concert lijkt: Als we maar op U vertrouwen, kan niemand onze geborgenheid ongedaan maken!
Het slotkoraal zingen we samen: Help ons om de moed niet te verliezen!